Uitspraak GAT Dossiernr: GD0052

12 februari 2026, Eindhoven, Nederland
(deels) gegrond

 

Stichting Geschilleninstantie Alternatieve Therapeuten –
Nederlandlaan 234 – 2711 JH – Zoetermeer – KvK: 69709769 – st. geschil alternat thera NL63 INGB 0008108474 info@gatgeschillen.nl – Rijks erkend sinds 2017
gatgeschillen.nl

Uitspraak van de geschillencommissie of het disciplinair college

 

Uitspraken gedaan door de GAT commissie worden geanonimiseerd gepubliceerd en geanalyseerd. Dit gebeurt op zodanige wijze dat deze niet tot personen herleidbaar zijn. De analyses van de uitspraken zijn ter bevordering van de jurisprudentie en hebben tot doel een eenduidige geschillenbeslechting te bevorderen.

Uitspraken worden door de GAT ook gepubliceerd op geschillendossier.nl

Analyse Geschilleninstantie Alternatieve Therapeuten

Analyse van de GAT betreffende dit dossier:

– Een alternatieve therapeut moet altijd de grenzen van het vakgebied in het oog houden

– Schenden van beroepsgeheim is ook bij niet BIG-geregistreerde zorgverleners niet toegestaan

Hieronder is de online versie te lezen waar bij het anonimiseren rekening is gehouden met de leesbaarheid: Klik hier voor het originele pdf-document

Algemeen

Betreffende: GAT Geschillencommissie Klager-Beklaagde
Dossiernummer: GD0052
Datum uitspraak: 12 februari 2026

Het dossier bevat de volgende stukken:

-Schriftelijke klacht met bijlagen van klager;
– Bericht van de ambtelijk secretaris aan de advocaat van klager waarin het verweer
van de beklaagde wordt verwoord;
– De reactie van de advocaat van klager op dit mondeling aan de ambtelijk secretaris
opgegeven verweer.

Op donderdag 29 januari 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Zowel klager (met “klagers” advocaat) als beklaagde waren daarbij aanwezig. De commissie stelt vast dat aan de formele vereisten is voldaan en dat zij de zaak in behandeling kan nemen. Partijen hebben geen schikking weten te bereiken tijdens de mondelinge behandeling. Daarop is besloten om tot uitspraak over te gaan. De uitspraak is aldus tot stand gekomen na een schriftelijk en mondeling onderzoek.

Klacht

De schriftelijke klacht van de klager is als volgt samen te vatten:

Beklaagde heeft, zonder dat “beklaagde” klager heeft behandeld, dan wel 1-op-1 in een therapeutische sessie over “klagers” geestestoestand heeft gesproken, een verklaring opgesteld waarin wordt aangegeven dat klager vermoedelijk een narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft. Deze verklaring is gebruikt in een juridische procedure tussen klager en diens partner met als doel voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende de scheidingsprocedure. Ook heeft beklaagde het minderjarige kind van klager betrokken bij de behandeling van de partner en klager, zonder dat klager hier toestemming voor heeft gegeven. Dit gedrag is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Er dient een passende sanctie te worden opgelegd. Tevens heeft klager schade geleden als gevolg van dit gedrag. “klager” heeft kosten moeten maken voor vervangende woonruimte (3 x € 850,00). En “klager” heeft de facturen van de therapeut betaald, ondanks dat “klager” niet in behandeling is geweest bij beklaagde. Dit totaalbedrag wil “klager” tevens terug ontvangen (€ 1.290,00). Tot slot wordt verzocht beklaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.

Tijdens de zitting is nog het volgende door de klager naar voren gebracht:

De verklaring vermoeden geestestoestand is opgesteld zonder dat beklaagde ooit een 1-op-1 behandeling heeft gegeven aan klager. Beklaagde had zich daarover daarom ook niet mogen uitlaten. Ook is het minderjarige kind van partijen betrokken bij de behandeling, zonder schriftelijke toestemming van “klager” als gezaghebbende ouder. De verklaring die beklaagde heeft opgesteld, is nog steeds relevant. De echtscheidingsprocedure loopt nog steeds. Klager denkt na over een gerechtelijke procedure om de voorlopige voorzieningen op te heffen. De verklaring zit nog steeds in het dossier, wellicht tot aan het Gerechtshof toe. De Raad voor de Kinderbescherming heeft daarvan ook kennis genomen. Het is beklaagde niet helder wie de verklaring van de therapeut heeft aangevraagd en hoe beklaagde tot de diagnose gekomen. Is dat op basis van de korte bespreking die ze hebben gehad of op basis van de uitlatingen van de partner van klager? Een doel van de beoogde procedure bij de rechter is dat de voorlopige voorzieningen een andere uitkomst gaan hebben in de toekomst. De hoofdprocedure loopt nog. De verwachting is dat een mondelinge behandeling waarschijnlijk in het voorjaar gaat plaatsvinden, en de uitspraak pas na de zomer komt. Het zou goed zijn als er een rectificatie van de brief komt, misschien om te gebruiken in de nieuwe rechtszaak. Klager ontvangt nog steeds de stukken met die verklaring er in. Klager geeft aan geen toestemming te hebben gegeven voor behandeling van diens minderjarige kind, terwijl dat die toestemming wel vereist is omdat ook “klager” ouderlijk gezag heeft. Er is een factuur gestuurd voor die behandeling. Klager geeft aan geen gespreksverslag gezien te hebben van de behandeling. Op vragen over de grondslag van de gevorderde schadevergoeding wordt het volgende opgemerkt: De rekeningen van beklaagde zijn betaald vanaf de gezamenlijke rekening. Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. De behandelingen waren voor de partner van klager. Klager zelf heeft geen behandeling ontvangen. Dus die kosten wil “klager” terug ontvangen. Het gaat ook om een stukje genoegdoening. De verklaring heeft onmiskenbaar een rol gespeeld in de procedure. Maar welke rol, dat is klager niet bekend. Er is kennis van genomen door de Raad voor de Kinderbescherming. Klager heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure gevraagd om een Bird-nesting-constructie op basis waarvan beide ouders 50% van de tijd in de woning verblijven. Dat is afgewezen en dat komt mogelijk door de inhoud van de verklaring van beklaagde. Er ligt nu ook een klacht bij de deken, ingediend tegen de advocaat van de partner van klager omdat “partner” ten onrechte de verklaring heeft gebruikt. 

 

Verweer beklaagde

Het schriftelijke verweer van de beklaagde valt als volgt samen te vatten:

Beklaagde heeft ervoor gekozen om voorafgaand aan de zitting geen schriftelijk verweer in te dienen. Wel is er een gesprek tot stand gekomen met de ambtelijk secretaris van GAT waarin beklaagde het volgende heeft gezegd over de door klager ingediende klacht: Beklaagde heeft geen stukken gezien waaruit blijkt of, en in hoeverre de verklaring is meegewogen in de uitspraak van de rechter. Beklaagde geeft aan 2 fysieke sessies met klager te hebben gehad en eenmaal telefonisch contact. Klager en diens partner kwamen voor relatietherapie, maar omdat dat niet vergoeding wordt door de verzekering is er gefactureerd voor counseling van één persoon in de aanwezigheid van beiden. Beklaagde geeft aan dat “beklaagde” zich bewust is van het feit dat “beklaagde” geen arts is en dus geen diagnoses kan stellen.er € 200,00.

Tijdens de zitting is nog het volgende door de beklaagde naar voren gebracht:

“Klager had, als “klager” vindt dat ik iets heb gedaan dat niet door de beugel kan, mij kunnen bellen. “Klager” heeft dat niet gedaan, maar direct een advocaat een boze brief laten sturen. Dat was naar en intimiderend. Ik heb die brief als buitenproportioneel ervaren. In de eerste brief werd meteen gedreigd met inschakeling van de tuchtcommissie.” Beklaagde vindt datniet in verhouding staan tot wat er gebeurd is. De partner van klager heeft tijdens individuele therapie sessies aangegeven dat “partner” heel erg bang was dat “partner” gedurende de echtscheidingsprocedure de woning zou moeten verlaten. “Partner: kan nergens anders naartoe omdat “partners” familie ver weg woont. Als “partner” daar moet gaan wonen, dan zou “partner” de kinderen nauwelijks meer zien. Ik heb “partner” gevraagd; “Zou ik iets voor je kunnen doen?”. Ik heb “partner” hiermee willen helpen door de verklaring op te stellen. Ik heb “partner” gevraagd; “Als ik dit zo opstel, kun je daarmee uit de voeten?”. “Partner” heeft die brief toen aan “partners” advocaat toegestuurd. Ik wilde voor “partner” opkomen. Beklaagde geeft aan geen psycholoog te zijn, maar psychosociaal therapeut. “Beklaagde” is niet bevoegd om diagnoses te stellen. “Beklaagde” geeft aan ook geen diagnose te hebben gesteld, alleen vermoedens te hebben geuit. Die zijn gebaseerd op wat “beklaagde” van klager heeft gehoord en opgemerkt tijdens de drie sessies, en op verhalen van de partner van klager. Partijen kwamen samen naar de eerste sessies. De bedoeling was relatietherapie. Alleen de partner van klager heeft een behandelovereenkomst getekend. Op die manier zou de verzekering de behandelingen vergoeden. De partner van klager had de beste verzekering. Beklaagde: “Na twee sessies gaf klager aan dat ik met de partner alleen verder zou gaan. “Partner” moest eerst geholpen worden. Ik heb “partner” oefeningen meegegeven. Er was veel miscommunicatie tussen hen. Uiteindelijk heeft “klager” uit het niets aangegeven te willen scheiden.” Op de vraag van de commissie, of “beklaagde” geen vertrouwelijkheid in acht dient te nemen, antwoord beklaagde dat klager niet zelf tijdens één van de sessies heeft gezegd dat “klager” een narcistische persoonlijkheidsstoornis heeft. Had “beklaagde” dat wel gedaan, dan had “beklaagde” daarover vertrouwelijkheid in acht moeten nemen. Maar zo is het niet gegaan, aldus beklaagde. Wanneer de commissie refereert aan wat er over vertrouwelijkheid in het GAT reglement, maar ook in het burgerlijk wetboek staat, geeft beklaagde aan dat de verklaring wellicht toch gebaseerd is op wat “beklaagde” tijdens de sessie ter orde is gekomen. Maar dan blijft het nog steeds een geuit vermoeden en geen diagnose. Beklaagde noemt dat “ een vaag gebied”. Beklaagde wijst erop dat klager zelf niet uitdrukkelijk heeft gevraagd om geheimhouding van hetgeen is besproken. Beklaagde geeft tot slot aan de verklaring alleen naar de partner te hebben gestuurd. Wat de partner daar vervolgens mee doet, ligt volgens beklaagde buiten “beklaagdes” verantwoordelijkheid. Beklaagde is niet degene die de verklaring naar buiten heeft gebracht. Op vragen van de commissie hoe dat strookt met de aanhef “LS” boven de brief, antwoordt beklaagde dat het in dat geval niet erg netjes van “beklaagde” is geweest. Voor wat betreft het betrekken van een minderjarig kind bij de therapie, verweert beklaagde zich als volgt. Het kind van klager en diens partner is niet betrokken bij de therapie. De partner van klager heeft gevraagd of beklaagde wilde praten met hun kind. Die afspraak is gemaakt en thuis op de kalender gezet. Klager wist hier dus vanaf. “Bij aanvang van de afspraak had ik het toestemmingsformulier klaarliggen. Met dat formulier geven ouders toestemming voor behandeling van hun minderjarige kind. Het kind van klager en diens partner bleek in de veronderstelling te zijn geweest dat “kind” de therapiesessie van diens ouder als toeschouwer mocht bijwonen. “Kind” had niet begrepen dat “kind” zelf een behandeling zou ondergaan en wilde zelf geen hulp. Daarom is dat niet doorgegaan. De behandeling is overigens wel gefactureerd. De tijd was al gereserveerd en ondanks dat er geen behandeling is gegeven moet er dan wel betaald worden”, aldus beklaagde. Beklaagde erkent dat de toestemming van beide ouders nodig is voor behandeling van een minderjarige. Mocht het kind wel behandeling hebben gewenst, dan had beklaagde die behandeling wel gegeven. Ondanks dat de handtekening van klager in dat geval ontbroken zou hebben. Maar nu de behandeling niet is doorgegaan, is dat niet relevant.

De uitspraak

De uitspraak van de commissie

A. De eerste klacht betreft de klacht van klager ten aanzien van de opgestelde verklaring.

De vraag is allereerst of er een behandelrelatie heeft bestaan tussen klager en beklaagde. De geschillencommissie is van oordeel dat dit wel het geval is. Klager heeft driemaal contact gehad met beklaagde in een therapeutische sessie; tweemaal persoonlijk en eenmaal telefonisch. Dat waren niet louter organisatorische gesprekken. Dat er met klager geen behandelovereenkomst is gesloten, is gelegen in het gegeven dat de verzekering van klager en diens partner geen relatietherapie vergoedt, maar wel individuele therapie. De bedoeling was relatietherapie, pas na twee gezamenlijke sessies is besloten dat
beklaagde met de partner alleen verder zou gaan. De partner had de beste verzekering op dat gebied en daarom is besloten om met “partner” een behandelovereenkomst te sluiten. Feitelijk (mondeling) is er gezien deze feiten en omstandigheden ook sprake geweest van een behandelovereenkomst tussen klager en beklaagde. Nu er aldus sprake is van een behandelovereenkomst tussen partijen, heeft de therapeut zich aan regels te houden die gelden voor “beklaagdes” rol als therapeut. Daarover overweegt de commissie het navolgende. Een therapeut dient zich bewust te zijn van diens positie en diens rol. Een therapeut dient een professionele distantie te bewaren tot diens cliënten. De commissie stelt vast dat dit in deze kwestie niet is gebeurd. De partner heeft “partners” angsten geuit jegens de therapeut, angst dat “partner” diens kinderen niet of veel minder zou gaan zien als “partner” de woning niet toegewezen zou krijgen. Beklaagde vond dat zielig voor “partner” en heeft “partner” hiermee willen helpen. Dat heeft “beklaagde” echter gedaan op een ontoelaatbare wijze. Namelijk door een verklaring op te stellen die de partner kon gebruiken in “beklaagdes” strijd tegen klager in de echtscheidingsprocedure. Beklaagde heeft hierbij gebruik gemaakt van informatie die “beklaagde” ter orde is gekomen tijdens sessies met zowel “beklaagde” als de partner; in een telefonische sessie met “beklaagde” en in sessies met de partner alleen. Uit de wet (artikel 7:457 BW) volgt dat hulpverleners (uitzonderingen daargelaten) geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de gegevens uit het dossier worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Deze wettelijke regels zijn ook op niet-BIG geregistreerde hulpverleners van toepassing. Ook het reglement van CAT – waar beklaagde aan gebonden is – legt een geheimhoudingsplicht aan therapeuten op (artikel 3.1 sub g, h). De eigen algemene voorwaarden van beklaagde, o.a. te vinden op “beklaagdes” website, vermelden in artikel 6 dat beklaagde informatie die “beklaagde” verkrijgt bij de uitvoering van “beklaagdes” werkzaamheden vertrouwelijk zal behandelen en niet met derden zal delen. Door te handelen zoals beklaagde heeft gehandeld, heeft “beklaagde” aldus gehandeld in strijd met de wet; in strijd gehandeld met de op “beklaagdes” als therapeut geldende gedragsregels en gehandeld in strijd met de veiligheid die “beklaagde” in deze via “beklaagdes” eigen algemene voorwaarden heeft gegarandeerd. Het verweer van beklaagde op dit punt, dat “beklaagde” de partner heeft willen helpen vanuit “partners” zwakkere positie in de relatie en dat klager niet gevraagd heeft om geheimhouding etc., helpt “beklaagde” niet. Er zijn uitzonderingen mogelijk, maar daarvan kan alleen sprake zijn in hoge uitzonderingsgevallen. De commissie heeft vastgesteld dat hiervan in deze kwestie geen sprake is. Beklaagde had geen inlichtingen over klager mogen verstrekken. Door een verklaring op te stellen en daarin een mogelijke diagnose te noemen, verwoord als een vermoeden, heeft “beklaagde” gehandeld in strijd met die geheimhoudingsplicht. De commissie gaat ook niet mee in het verweer van beklaagde dat “beklaagde” de verklaring alleen aan de partner heeft gestuurd, en dus strikt genomen niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het extern verspreiden ervan. “Beklaagde” heeft de verklaring gericht aan LS – dus aan eenieder die het horen wil. “Beklaagde” heeft ook in de verklaring gemeld dat “beklaagde” open staat voor een nadere toelichting en ter zitting gaf “beklaagde” aan dat de verklaring juist is opgesteld om te helpen vanwege de angst van de toenmalige partner van klager dat “partner” de echtelijke woning zou moeten verlaten als uitvloeisel van de echtscheidingsprocedure die er liep tussen beide echtelieden. De commissie gaat er dus vanuit dat beklaagde wist dat de verklaring beschikbaar zou worden gesteld aan derden, en mogelijk in de echtscheidingsprocedure zou worden gebruikt. Bovendien geldt nog het navolgende – wat ook van toepassing zou zijn wanneer er geen sprake zou zijn van een behandelrelatie tussen klager en beklaagde; Het CAT reglement schrijft voor (artikel 3.1 sub o) dat een therapeut zich onthoudt van handelingen en uitspraken die buiten de eigen behandelvorm, deskundigheid of bekwaamheid vallen. Dit geldt absoluut. Beklaagde heeft erkend dat “beklaagde” geen psychiater of psycholoog is en dus niet bekwaam is om een diagnose, zoals een narcistische persoonlijkheidsstoornis, te stellen. Dit had “beklaagde” dan ook niet mogen doen. Ook het uiten van vermoedens valt hieronder. De regel dat dit niet mag zou ernstig worden uitgehold als deze op zo’n wijze ontweken zou mogen worden. Ook het uiten van vermoedens dient gebaseerd te zijn op deskundigheid c.q. bekwaamheid. Door op papier een (mogelijke) psychiatrische diagnose te noemen als vermoeden is beklaagde buiten “beklaagdes” deskundigheid getreden en heeft “beklaagde” gehandeld in strijd met het CAT reglement.

B. De tweede klacht betreft het behandelen van het minderjarige kind van klager zonder dat “klager” als gezaghebbende ouder daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven.

Volgens de wet, maar ook volgens het CAT-reglement waarin beklaagde is gebonden, dienen de gezaghebbende ouders van een minderjarige schriftelijk toestemming te geven voor behandelingen. Beide ouders dienen in dat geval de CAT behandelovereenkomst en het toestemmingsformulier te ondertekenen. Beklaagde erkent dat “beklaagde” aan deze verplichting is gebonden. Beklaagde stelt echter dat het kind van klager geen therapie heeft ontvangen omdat bij aanvang van de geplande therapie sessie bleek dat “kind” geen therapie wilde ontvangen. “Kind” wilde alleen toekijken bij de therapie van diens ouder. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat, indien het kind van beklaagde therapie had willen ontvangen, “beklaagde” die behandeling was gestart. En in dat geval had de handtekening van klager ontbroken en zou beklaagde dus niet aan “beklaagdes” verplichtingen hebben voldaan. Maar nu er geen therapie heeft plaatsgevonden is beklaagde van mening dat “beklaagde” niet in strijd met het reglement heeft gehandeld. De commissie is er niet van overtuigd dat er geen behandeling heeft plaatsgevonden. Onderbouwing daarvan ontbreekt. Er ligt echter wel een factuur van beklaagde met prestatiecode, waarin de kosten van de therapiesessie van het kind van klager in rekening wordt gebracht. Die factuur is ook betaald door klager. Beklaagde heeft daarop als verweer aangevoerd dat “beklaagdes” tijd met de afspraak al gereserveerd was en dus betaald moest worden en dat dit de reden is geweest van het sturen van de factuur. Dat verklaart niet waarom er een prestatiecode op de factuur is vermeld met een toeslag van € 25,00 voor een extra persoon. Dat insinueert wel dat er beide personen een behandeling hebben ontvangen. De commissie heeft bovendien geen andere stukken gezien waaruit blijkt dat er geen behandeling is verleend aan het kind van klager, zoals aantekeningen in een dossier of andere schriftelijke vastlegging. Nu een behandeling in rekening is gebracht bij de verzekeraar mag de verzekeraar er van uit gaan dat er wel een behandeling heeft plaatsgevonden. Hieruit vloeit ten minste een zeer sterk vermoeden voort dat dit het geval is. De ontkenning ter zitting is in dat licht onvoldoende om dit te weerleggen. Het ontbreken van bewijsstukken aan de zijde van beklaagde, in combinatie met de factuur met prestatiecode en het gegeven dat beklaagde heeft erkend dat “beklaagde” (indien gewenst) de therapie voortgezet zou hebben zonder handtekening/toestemming van klager, maakt dat de commissie ook op dit punt moet vaststellen dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met in ieder geval het CAT reglement. “Beklaagde” had er vooraf voor moeten zorgen dat er geen behandeling zonder de vereiste toestemming zou plaatsvinden. Deze omissie wordt niet weggenomen als anders dan beoogd een therapiesessie onverwacht niet doorgaat. De verwijtbaarheid wordt versterkt door het feit dat beklaagde wist dat de ouders van de minderjarige in een echtscheidingsprocedure zijn verwikkeld en dit punt bij klager extra gevoelig zou kunnen liggen. Met die kennis had beklaagde extra zorgvuldigheid in acht moeten nemen, hetgeen “beklaagde” niet heeft gedaan. Dit ook in het licht van het gestelde in hoofdstuk 7 van het CAT reglement (in de aanhef).

C. Tuchtrechtelijk

De commissie heeft ten aanzien van de punten A en B vastgesteld dat beklaagde op beide punten heeft gehandeld in strijd met de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en het CAT-reglement. Wat de commissie verder in dit kader opvalt, is dat beklaagde weinig besef lijkt te hebben van de ernst van de schendingen. “Beklaagde” lijkt “beklaagdes” gedrag goed te praten door het doel ervan; het helpen van een persoon (en kind) binnen een echtscheidingsprocedure waarin deze persoon wordt/worden gezien als de kwetsbare partijen. Beklaagde is echter een therapeut en dient de nodige professionele distantie te bewaren. Dat heeft beklaagde niet gedaan. Daarnaast moet beklaagde zich ook bewust zijn van het feit dat als “beklaagde” als therapeut een verklaring opstelt om te gebruiken in een juridische procedure, hier door rechters en door de Raad van de Kinderbescherming een bijzondere waarde aan kan worden toegekend. Een dergelijke verklaring wordt anders beoordeeld dan een verklaring van bijvoorbeeld een vriend of buur. Daar heeft “beklaagde” geheel geen rekenschap van gegeven. Dat beklaagde met die verklaring bovendien “beklaagdes” geheimhoudingsplicht heeft geschonden, maakt dit een zeer ernstige tekortkoming als therapeut en kan het vertrouwen in “beklaagdes” beroepsgroep schade toebrengen. Geheimhouding en vertrouwelijkheid zijn een zeer groot goed in de medische en therapeutische wereld; zonder geheimhouding en vertrouwelijkheid kunnen deze professies niet goed functioneren. Klager heeft zich kwetsbaar opgesteld door deelname aan de therapie sessies die “klager” heeft gehad en dat is door beklaagde onmiskenbaar hard tegen “klager” gebruikt in een juridische (echtscheidings-)procedure. Daarmee is beklaagde veel te ver gegaan. “Beklaagde” heeft zich – ook na de mondelinge behandeling – geen dan wel onvoldoende rekenschap gegeven van de ernst hiervan. De geschillencommissie legt beklaagde dan ook een berisping op voor “beklaagdes” gedragingen in deze kwestie. Deze sanctie wordt opgelegd vanwege de ernst van de gedragingen in combinatie met het gebrek aan zelfinzicht. Er wordt daarbij wel rekening mee gehouden dat beklaagde nog niet eerder gesanctioneerd is voor vergelijkbare gedragingen. Hierbij wordt wel de uitdrukkelijke opmerking gemaakt dat, indien dit nogmaals zou gebeuren, de geschillencommissie niet zal schromen om een (voorwaardelijke) schrapping op te leggen.

D. Schadevergoeding

De vorderingen tot schadevergoeding zal de commissie afwijzen. Er is niet gebleken dat er enig causaal verband bestaat tussen de gesanctioneerde gedraging en de gevorderde schade, dan wel een andere juridisch houdbare grondslag voor de vorderingen naar voren is gebracht dan wel kan worden aangenomen. De facturen voor de behandelsessies zijn voldaan vanaf de gezamenlijke rekening van partijen. Zowel klager als diens partner hebben behandelingen ontvangen. Er is niet gebleken dat deze kosten niet vanaf de gezamenlijke rekening mochten worden betaald. Bovendien is dat een eventuele vordering die in een echtscheidingsprocedure thuishoort. Schade die direct verband houdt met de overtredingen is dit in ieder geval niet. Hetzelfde geldt voor de kosten voor alternatieve woonruimte. Er is niet gebleken dat de verklaring van beklaagde mee heeft gewogen bij de beslissing van de rechtbank om hetvoortgezet gebruik van de woning aan de partner van klager toe te kennen. In de schriftelijke uitspraak staat daarover niets en het is ook niet gesteld door klager dat hier tijdens de zitting wel opmerkingen over zijn gemaakt door de rechtbank dan wel de Raad voor de Kinderbescherming. Gezien de stukken uit die procedure die zijn overgelegd en hetgeen de commissie daarover van klager heeft gehoord is het oordeel van de rechtbank op dit punt niet uitzonderlijk. Ook zonder de verklaring van beklaagde zou een dergelijke uitkomst gezien de omstandigheden (persoon die de primaire zorg heeft voor de kinderen die nog thuis wonen) niet ongebruikelijk zijn. “Klager” heeft wel kosten moeten maken voor alternatieve woonruimte, maar “klager” zou die kosten ook zonder de verklaring hoogstwaarschijnlijk hebben moeten maken. Tweemaal woonlasten betalen is vaak onvermijdelijk gedurende een echtscheidingsprocedure en na een echtscheiding. Bovendien wordt dit ook in het kader van de echtscheidingsprocedure financieel meegenomen; zo zal de partner van klager een gebruikersvergoeding moeten betalen voor het alleengebruik van de woning (dan wel de gebruikerslasten van de woning volledig voor “partners” rekening moeten nemen) en kan er bij de berekening van alimentatie rekening worden gehouden met de (hoge) woonlasten van klager. De vorderingen tot schadevergoeding worden dus afgewezen. Wel zal de commissie beklaagde veroordelen in de kosten van deze procedure.

Uitkomst uitspraak

De geschillencommissie verklaart de klachten van klager jegens beklaagde dus gegrond en legt aan beklaagde de sanctie van berisping op. Beklaagde wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, door de commissie vastgesteld op € 2.500,00.

Aldus beslist te Eindhoven, op: 12-02-2026

Door:

De heer Mr. M.C.J. de Schepper (commissie voorzitter)
mevr. mr. S.M.E. van Dijsseldonk (commissie lid)
mevr. Petra Schmidt (vakspecialist)

Deze uitspraak betreft een bindend advies. Hoger beroep tegen de uitspraak behoort niet tot de mogelijkheden. Klager en/of de beklaagde kan er wel voor kiezen deze uitspraak aan de civiele rechter voor te leggen.